Skip to content

Stichting-Schild

  • narrow screen resolution
  • wide screen resolution
  • Increase font size
  • Decrease font size
  • Default font size
  • default color
  • black color
  • cyan color
  • green color
  • red color
Home CH-t Over CH-t Werking schildklier
De werking van de schildklier PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Mark de Booij   
woensdag, 03 maart 2010 21:28

Schildklierhormoon bestaat in twee vormen: T3 en T4. Dit zijn afkortingen. De 3 en 4 achter de T (van: thyroid) hebben betrekking op het aantal jodiumatomen in het hormoon. De wetenschappelijke naam voor T3 is tri-jodothyronine en voor T 4 is thyroxine (= tetra-jodothyronine). T 4 is feitelijk zelf niet actief en moet eerst in T3 worden omgezet, alvorens de lichaamscellen er iets mee kunnen doen. De hormonen T3 en T 4 worden specifiek gemaakt in de schildklier en nergens anders in het lichaam. Het maken van T3 en T 4 is een ingewikkeld proces waarvoor aminozuren (bouwstenen van eiwit) en jodium nodig zijn. Jodium is dus een belangrijk bestanddeel van onze voeding ( in Nederland is jodium verplicht aan het bakkerszout toegevoegd dat voor de brood bereiding gebruikt wordt). Alle scheikundige reacties in de schildklier die nodig zijn voor de hormoonproductie, kunnen stuk voor stuk verstoord worden en daarmee leiden tot CHT. De verstoring kan van buitenaf komen en is dan doorgaans tijdelijk, of van binnenuit door een aangeboren defect (meestal blijvend).

De schildklier staat het geproduceerde T4 en T3 gelijkmatig aan de bloedbaan af. Via het bloed bereiken de hormonen de diverse weefsels en organen. De schildklier wordt in zijn werking "gestuurd" door een ander hormoon, het TSH (=schildklierstimulerend hormoon, ook wel thyreotropine genoemd). Dit hormoon wordt aangemaakt in de hypofyse, een kliertje dat onder aan de hersenen gelegen is. TSH is dus onmisbaar voor een goede schildklierwerking. De hypofyse 'meet' namelijk voortdurend de hoeveelheden T 4 en T3 in het bloed en reageert daarop met een variatie in de aanmaak en afgifte van TSH. Het TSH gehalte in het bloed vertelt ons dus wat de hypofyse van de werking van de schildklier vindt. Het gaat hier om een zogenaamd "negatief terugkoppelsysteem ", want de hoeveelheid TSH neemt toe als de hoeveelheid T4 afneemt (en andersom). Er is een vergelijking te maken met de werking van de centrale verwarming, waarbij de schildklier dan de verwarmingsketel is, de hypofyse de thermostaat en het lichaam de te verwarmen woonruimte. Overigens wordt ook de productie van TSH weer "gestuurd" door een hormoon uit de hersenstam, n.l. TRH (=TSH-vrijmakend hormoon). Op deze wijze wordt het geheel dus uiteindelijk beheerst door de hersenen (net zoals de bewoner de temperatuur in huis bepaalt middels de stand van de thermostaat).

Om de schildklierfunctie te bepalen, laat een arts naast de hoeveelheid T4, T3 en TSH doorgaans ook de hoeveelheid vrij T4 (FT4) in het bloed bepalen. Het overgrote deel van de T 4 en T3 in de bloedcirculatie is in aan eiwit gebonden vorm en fungeert als een buffervoorraad. Alleen het gedeelte dat niet gebonden is (dus 'vrij' is) kan de cellen binnengaan en de stofwisseling beïnvloeden. FT4 is dus de beste maat om de direct werkzame hoeveelheid T 4 in het bloed te meten.

© Stichting-Schild 2006

 

 


 

 

 

Login



Aanmelden Nieuwsbrief